Frans Tol

Kijkje in de keuken van detectivebureau Tol

Frans Tol. De naam kun je wekelijks tegenkomen in het Nieuw-Vennepse Witte Weekblad. ‘Verslag leggen van dorpse gebeurtenissen’, noemt hij zijn werkzaamheden. Liefst met een door hem gemaakte foto 20170610 linv frans tol (2)erbij. Scheelt in de verdiensten. Het lijkt alsof hij er ‘altijd’ al is geweest, maar dat klopt niet. Tol (Amsterdam, 1943) is sinds 2004 als correspondent verbonden aan het huis-aan-huisblad. Schrijven doet hij echter al vanaf zijn jonge jaren, geen verslaggeving maar gedichten, vaak voorzien van een tekening. Het is een van de dingen die weinig mensen weten van de ijverige journalist, wapperend met velletjes papier, voor hem alsjeblieft geen bloknootje. Hij is geen man van de vlakke feiten, maar een nieuwsjager gericht op het menselijke verhaal erachter. Op deze plaats nu eens aandacht voor zijn persoonlijke achtergrond, ’n kijkje in de keuken van ‘detectivebureau Tol’.

De term ‘detectivebureau’ behoeft wel enige uitleg. Frans Tol gebruikt de uitdrukking om aan te geven hoe zijn werkwijze voor de krant is. ‘Stel, ik word gevraagd voor een verslag van een gebeurtenis. Dan begin ik met mijn huiswerk, ga uitvissen wat er aan de hand is, zoek achtergrondinformatie. Daar helpt Internet bij. Wat ik vind en kan gebruiken, print ik en op de achterkant van het papier maak ik mijn aantekeningen. Het speurwerk kun je vergelijken met wat een detective doet. Vandaar.’

Op die manier levert hij in de loop van de jaren zo’n 3.000 artikelen aan het weekblad. Hij werkt ook mee aan website en boek ‘Leven in Nieuw-Vennep’, in de vorm van interviews met bekende en minder bekende dorpsgenoten. Hij ziet zijn vak als een ‘doorgeefluik’. Zijn eigen menig laat hij terzijde.
In zijn V20170610 linv frans tol (1)ennepse appartement met uitzicht op het Piet van Houtenplantsoen en de kinderboerderij, blijkt Frans Tol niet alleen goed te kunnen luisteren maar ontpopt hij zich tevens als een prettig verteller. En ook voor dit gesprek heeft hij zich goed voorbereid, zijn persoonlijke geschiedenis schriftelijk op een rijtje gezet. We leren daaruit hoe hij opgroeit in het Amsterdam van de jaren veertig in de vorige eeuw. Frans is de middelste in het gezin met vijf kinderen, vier jongens en een meisje. Vader Piet Tol werkt bij een groothandel voor interieurspullen in Amsterdam, als hij Kikky Rusche leert kennen, zijn latere echtgenote en de moeder van Frans. Haar ouders hebben dan in de stad een koffiebranderij. Later verhuizen ze naar Hilversum.

Jaren 40

Frans over de oorlogsjaren: ‘We werden in die tijd gered door familie in ’t Gooi. Die zorgde voor een beetje warmte door nu en dan een boom voor ons af te zagen en op transport te zetten. Voedsel kregen we via kennissen in het verzet.’ Hij schetst de situatie in de stad. ‘Wij woonden 3 hoog. Op 1 hoog zaten NSB’ers. Op 2 hoog communisten. Dat was dus een explosieve mix.’

Na de oorlog groeit hij op in een kindvriendelijke sfeer. ‘Bij ons in de straat was Jan van de fietsenstalling de enige met een auto. Je kon er dus vrij voetballen, lantaarnpaal schieten, tollen, pinkelen en knikkeren. We hadden een melkboer die Dorus heette. Die kwam dagelijks naar boven, liep de keuken in, pakte een pannetje voor de melk en keek of er nog een muntje nodig was voor de stroom. Eens in de week rekende hij af.’
Er hingen geen touwtjes uit de deur, maar wel had iedereen een loper. ‘Je kon dus met zo’n algemene sleutel overal naar binnen.’ In deze periode hebben veel buurtbewoners een bijnaam. ‘Zo was er een vrouw die we de manke hazewindhond noemden. Verder had je Marietje met d’r platte koppie, Chamberlain en Jantje met de kleffe handjes, die maandelijks de nieuwe spreuk kwam afleveren voor ‘Herwonnen Levenskracht’. Over de winkels in de wijk: ‘Je had van alles, een kruidenier, de groenteman, sigarenboer, bakker en een kapper. Nu is alleen de kapper er nog.’
Met pretogen memoreert hij een anekdote. ‘Groenteboer Piet Boon, die werkte met een aardappelschilmachine, had kippengaas gespannen over de voor de winkel uitgestalde waren. Op een dag vertelde hij boos dat er een mevrouw had geklaagd over dat gaas. Haar zoon had zich verwond bij het jatten van een appel!’
Tol zou er een boek over kunnen schrijven. ‘Misschien komt dat er nog eens van’, laat hij voorzichtig weten.

Missionaris

Frans bezoekt de katholieke lagere broederschool voor jongens, zes dubbele klassen met elk vijfenveertig leerlingen. Een kennis van de familie, pater Frans, vertelt spannende verhalen over de missie in Congo. Dat lijkt de jonge Frans ook wel wat, niet zozeer het priesterschap als wel het avontuur lokt hem. Aldus komt hij op het seminarie van de Kruisheren in het Brabantse Uden. ‘Ik heb het maar drie jaar uitgehouden. Je was intern, alleen in de schoolvakanties mocht je naar huis. Er werd veel aan sport gedaan, hockey, voetbal, tafeltennis, volleybal en biljarten. Dat was wel leuk maar verder heerste er een streng regiem.’
Terug in Amsterdam wordt hij leerling van het Pius X gymnasium. De overgang naar deze school valt zwaar. Hij stopt met de opleiding en gaat aan het werk, op de afdeling adressering van uitgeverij Elsevier. Na militaire dienst wordt de wijnkelder van de Bijenkorf op het Prinseneiland in Amsterdam zijn volgende werkplek.

Levensmiddelen

Frans is 24 jaar als hij promotie maakt en souschef wordt van de levensmiddelenafdeling. Indertijd gevestigd op de vierde etage van het warenhuis. ‘Ik moest toen vaak onderzoek doen naar betaalmethodes aan de kassa bij andere supermarkten. En verder naar de douane voor inklaring van goederen en naar laboratoria voor kwaliteitsonderzoek van door ons geïmporteerde artikelen.’
Een boeiende periode, memoreert hij. ‘Vooral omdat er nogal wat beroemdheden kwamen winkelen, zoals prinses Irene, maar ook de grote jongens en hun dames van de Wallen. En dan was er Ramses Shaffy. Die winkelde proletarisch door met volle karren de supermarkt uit te lopen zonder te betalen.’
Als er een conflictsituatie ontstaat met zijn meerdere krijgt hij een baan aangeboden in Eindhoven. Daar wordt hij slijter bij Gall & Gall. Drie jaar later keert hij terug naar zijn geboortestad. Tol gaat werken op Schiphol bij de KLM Tax Free winkels voor dranken en rookwaren.
Op die werkplek leert hij zijn latere echtgenote kennen, Mabel Noll. Ze trouwen in mei 1976. Krijgen twee zonen, in 1984 Madé en twee jaar later Tobias. ‘Mijn vrouw heeft met halfbloed Indonesische ouders heel andere roots dan ik, en komt uit een gezin met zes kinderen. Ze kan koken als de beste. Haar loempia’s zijn beroemd.’

Wijnkenner

Frans Tol doorloopt bij de Tax Free winkels in ruim dertig jaar verschillende functies, krijgt onder meer ook bemoeienis met de boordverkopen in de vliegtuigen en is laatstelijk inkoper wijnen en sigaren.
Hebben we hier te maken met een gerenomeerde wijnkenner? Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik ben geen vinoloog, als je dat bedoelt. Je kunt me een wijnboer vanachter de toonbank noemen. Ik heb als inkoper heel wat chateaus bezocht en wijnen gedronken. Je moest de wijnhuizen goed kennen, als het ware achter de etiketten kijken.’
Zijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar de Franse wijnen. Hij is sowieso een liefhebber van Frankrijk, van de taal en van de muziek. Mede als gevolg van de vakanties aldaar, sinds zijn jeugd en later met zijn eigen gezin. Nog steeds is Frankrijk zijn favoriete vakantieland.
Overigens blijkt hier een heel ander arbeidsverhaal dan in de wandelgangen over hem wordt gezegd. Tol zou een oud-onderwijsman zijn. ‘Ik voor de klas? Nee hoor.’ Hij begrijpt wel waar dat idee vandaan komt. ‘Er bestaat een naamgenoot, Frans van der Tol, uit Hoofddorp, ook journalist. Die is vroeger schoolmeester geweest. Ik kom trouwens wel uit een onderwijsnest. Al mijn broers en mijn zus hebben dat beroep gekozen. Ik ben een buitenbeentje, heb een totaal andere weg bewandeld.’
Hij zegt wat dat betreft op zijn vader te lijken. ‘Die heeft zich ook opgewerkt in het bedrijfsleven. Het mooie is dat hij na zijn pensionering is gaan schrijven, voor de Wereldomroep.’

Haarlemmermeer

Na eerst een poosje samen in de Govert Flinckstraat in Amsterdam te hebben gewoond, verkassen Frans en Mabel naar Haarlemmermeer. Ze kunnen een woning krijgen in Zwaanshoek. In de jaren zeventig van de vorige eeuw kost het weinig moeite. ‘Het huis moest wel nog worden gebouwd. Maar de makelaar had bij het eerste gesprek de papieren in orde.’
Tien jaar lang woont het gezin Tol daar. Frans maakt zich verdienstelijk bij het opzetten van een lokale tennisvereniging. Verder speelt hij badminton en hockey. Ze zijn voorts een van de eerste bewoners van Getsewoud-Zuid in Nieuw-Vennep, na eerst nog tien jaar in Hoofddorp te hebben gewoond. Sinds 2015 verricht Tol zijn journalistieke arbeid vanuit een appartement in de Vennepse Molenwijk. ‘Feitelijk is het de wijk van de onkruiden. En zoals je weet, onkruid vergaat niet. Past dus wel bij mij.’
Zijn tien jaar jongere vrouw Mabel werkt parttime, op een reisbureau, onder meer problemen oplossen van reizigers. Beiden zijn verknocht geraakt aan het dorp. Er is ook ergernis, bijvoorbeeld als de Nieuwe Kom jarenlang geen invulling krijgt. In 2013 neemt Tol het initiatief de denktank DINKC op te richten. Men maakt zich zorgen over de situatie in het centrum met diverse langdurig braakliggende terreinen. ‘We wilden een aanzet geven op de invulling van een mooi dorpscentrum.’ De initiatiefgroep wordt opgeheven als de boodschap bij de gemeente effect sorteert.

Tragedie

Tol staat wat langer stil bij zijn gezinssituatie. ‘Onze zoon Tobias is goed terechtgekomen. Hij is gehuwd met een leuke vrouw, Nicole, heeft een goede baan en twee schattige zoons, Mikai, van bijna drie jaar en Julan, drie weken oud.’ Met Madé is het een ander verhaal, een regelrechte tragedie.
De narigheid begint na een scooterongeluk. Madé is zeventien als hij hierbij ernstige lichamelijke en geestelijke beschadigingen oploopt. ‘Hij was een intelligente streber die in Heliomare opkrabbelde, de horecastudie in Amsterdam afmaakte en steeds tijdelijk werk wist te vinden.’ Het gaat mis als hij het ouderlijk huis verlaat en in Edam een woning betrekt.
Madé krijgt psychoses, wordt enkele malen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Later verhuist hij naar Purmerend, waar hij trouwt. ‘Samen hebben ze zichzelf steeds verder de put in geholpen.’ Er komt een zoontje, Gabriël. Het gaat bergafwaarts met het gezinnetje, zodanig dat Jeugdzorg de jongen in 2013 uit huis plaatst. Twee jaar later wordt het stel uit de woning gezet. ‘Wij hadden bij betreffende instanties onderdak voor ze gevonden, maar daar had mevrouw geen zin in. Ze zijn toen gaan zwerven.’
Hun zoon raakt geestelijk en lichamelijk gesloopt. Ten einde raad nemen Frans en Mabel hem een poosje in huis. Om hem op krachten te laten komen. ‘Die krachten heeft hij gebruikt om zich in januari 2016 voor de trein te werpen.’
Het blijft even stil aan tafel. Het is de trieste afloop van een hopeloos gevecht van ouders voor het welzijn van hun kind. ‘Pijnlijk, ja. Maar we hebben toch vrede met zijn dood. Omdat hij is verlost van een leven dat hij lichamelijk en geestelijk niet meer aan kon. Er is hem veel pijn bespaard gebleven.’
In deze moeilijke periode staat het schrijfwerk voor de krant op een laag pitje.
Na een paar maanden rust hervat Frans Tol zijn taak als vanouds. Begin 2017 zet hij een vraagteken bij de toekomst van het huis-aan-huisblad, nu de Telegraaf Media Groep waar het WW onder valt, door BDU-media uit Barneveld is overgenomen.
Hij grinnikt: ‘Misschien een mooi moment voor een boek?’

Auteur: Geertje Bos
Foto's: Frans Tol
Mei 2017.

Boek met interviews over het Leven in Nieuw Vennep van toen en nu